Componenttypes

Componenten

Een component is samengesteld object. Een componentdefinitie bevat een willekeurig aantal grafische elementen; primitieve elementen of andere componenten. De definitie wordt niet in een tekening, maar in een apart bestand opgeslagen: de bibliotheek. Een component kan willekeurig vaak in tekeningen geplaatst worden. Afhankelijk van het type component bepaalt de componentplaatsing de positie en rotatie, de schaal, of zelfs de vorm bij het afbeelden van de componentdefinitie.

Zie de informatie over componenten maken voor een beschrijving over hoe de in dit hoofdstuk behandelde componentdefinities aangemaakt en bewerkt kunnen worden.

Componenttypes

Componenttype Toelichting
Symbool - type S Dit type is speciaal bedoeld voor het representeren van grafische symbolen. De afbeeldingsschaal van alle symboolcomponenten in een tekening kan afzonderlijk van de afbeeldingsschaal van de overige elementen ingesteld worden.
Schaalbaar - type 1 Met dit type kunnen speciale symbolen worden gerepresenteerd die per plaatsing, onafhankelijk van andere elementen, verschaald moeten worden.
Vormvast / Parametrisch - type 2/2P Deze componenten dienen voor het representeren van objecten die geheel vormvast zijn, of bepaalde variabele afmetingen hebben.
Lijnvormig - type 3(+) Dit type is bedoeld voor objecten die een vaste vorm in de breedte of doorsnede hebben, maar die willekeurig 'verlengd' kunnen worden, bijvoorbeeld leidingen, en eventueel ook 'de hoek om kunnen gaan', bijvoorbeeld wanden.
Vlakvormig - type 4 Dit type is geschikt voor het vastleggen van vlakken en ruimtes, die bepaalde vaste eigenschappen hebben, maar per plaatsing een unieke vorm hebben.
Tekst - type T Dit componenttype definieert de verschijningsvorm van de tekst.
Maat - type M Dit componenttype definieert de verschijningsvorm van een maatlijn.

Er zijn vijf hoofdtypes voor componenten, sommigen met meerdere subtypes. De types verschillen in de manier waarop een componentplaatsing invloed heeft op de uiteindelijke geometrische vorm bij het afbeelden van de individuele elementen uit de componentdefinitie.

Algemene eigenschappen

Een componentdefinitie bevat altijd een referentie-element. Het eerste punt van dit element markeert de oorsprong van het locale coördinatensysteem binnen de definitie. Bij plaatsingen van de component komt dit punt overeen met het PCS of eerste punt van de plaatsing. Als een component geopend is, wordt dit punt gemarkeerd door een driehoekje.

Bij een parametrisch component is het referentie-element uitgebreid met één of meer controlepunten, aangeduid met een '+'-markering. Bij een actief component zijn deze punten opeenvolgend genummerd. Bij een componentplaatsing kunnen deze controlepunten verplaatst worden.

Bij alle componenttypes kan het referentie-element uitgebreid zijn met referentiepunten, aangeduid met een 'x'-markering. Bij een geopend component zijn deze punten opeenvolgend genummerd. Bij een componentplaatsing kan op deze referentiepunten 'gesnapt' worden.

Naast het referentie-element bevat de componentdefinitie één of meer gewone elementen. Dit kunnen zowel primitieve elementen als plaatsingen van andere componenten zijn.

Componentcode

Iedere component heeft een unieke code, die de relatie vormt tussen de definitie en de plaatsingen van de component. De componentcode bestaat uit maximaal acht karakters. Dit kunnen letters, cijfers en een aantal andere tekens zijn. Advies: Gebruik in codes uitsluitend de volgende karakters: '1'..'9', 'A'..'Z', 'a'..'z', '-', '_'. Dit voorkomt mogelijke toekomstige problemen bij conversie naar andere bestandsformaten. Bij het opslaan van een code blijft het verschil tussen hoofd- en kleine letters bewaard, maar voor het bepalen of een code uniek is en bij het aanroepen van een code wordt hiertussen geen onderscheid gemaakt.

Omschrijving

Bij een component kan een omschrijving worden opgegeven, van maximaal 255 tekens. Deze wordt getoond binnen dialogen maar kan ook in de tekening zelf worden afgebeeld, via codetekst (%c).

Plaatsdiepte

Wanneer een component geplaatst wordt dan krijgt de componentplaatsing (element) automatisch de plaatsdiepte als eigenschap. Een component kan de volgende standaard waarden hebben:

Plaatslaag

Een componentdefinitie heeft een plaatslaag. Iedere nieuwe plaatsing van de component komt bij verstek op deze laag terecht. Als plaatslaag 0 wordt opgegeven, wordt de laag van de componentplaatsing overgenomen uit de actuele maakparameters.

Plaatsaspect

Bij het aanmaken van een componentdefinitie kan er een plaatsaspect ingevoegd worden. Dit plaatsaspect wordt bij de plaatsing van een component overgenomen. Als plaatsaspect 0 wordt opgegeven, wordt het aspect van de componentplaatsing overgenomen uit de actuele maakparameters.

Nivoset

Bij het afsluiten van een componentdefinitie neemt de component de nivosets van de erin geneste elementen over. De nivoset van de componentdefinitie is dus de verzameling van alle nivosets van de erin geneste elementen. Bij de plaatsing van een component wordt de nivoset van de definitie van de component overgenomen.

Referentievlak

De waarde van het referentievlak van de in de component geplaatste elementen en/of componentplaatsingen is relatief ten opzichte van het referentievlak van de componentplaatsing.

Variabele elementhoogte

Bij componenttypes 1, 2, 3 en 4 bestaat de mogelijkheid om één of meerdere elementen in de componentdefinitie een variabel bovenvlak te geven. Elementen met een variabel bovenvlak worden afgebeeld met het bovenvlak van de componentplaatsing. Iedere plaatsing kan dus anders zijn. Een variabel bovenvlak wordt ingesteld door de schakelaar 't.o.v. extern bovenvlak' te activeren bij het instellen van het bovenvlak.

Codeteksten

Door middel van %-tekstcodes kan informatie over de definitie of plaatsing van de component getoond worden. Met #-tekstcodes kan de inhoud van database-velden zichtbaar worden gemaakt in de tekening.

Zichtbaarheid in 2D en/of 3D

Bij een componentdefinitie kan ook worden vastgelegd dat deze alleen in 2D of alleen in 3D of in 2D en 3D zichtbaar is. Voor een snelle schermweergave is het van essentieel belang dat dit juist wordt ingesteld.

Beperkte rechten

Leveranciers van werkmethodieken kunnen componenten en stijlen op slot zetten voor wijzigen en eventueel voor inkijken. Niet wijzigbare componenten kunnen wel worden geplaatst, maar niet worden veranderd. Ze zijn herkenbaar in de componentselector doordat er "[W]" achter het componenttype staat (wat wil zeggen dat er geen schrijrecht is). De rechten kunnen nog verder zijn beperkt, door behalve het schrijven ook het lezen te beperken. Componenten zonder leesrecht kunnen tevens niet worden gesplitst en ook niet als sjabloon voor een nieuwe component worden gebruikt. Bij het commando Component inkijken is de inhoud niet zichtbaar. Dergelijke componenten zijn herkenbaar aan de aanduiding "[RW]" achter het type (wat wil zeggen dat er geen lees- en schrijfrechten zijn).

Wanneer men een component met beperkte rechten probeert te wijzigen geeft het programma de foutmelding: "Actie niet toegestaan! Component is ingesteld met beperkte rechten". Deze melding kan ook bij andere commando's worden gegeven. Het beperken van de rechten van componenten gebeurt met een aparte, niet standaard meegeleverde applicatie. Wanneer een component eenmaal beperkte rechten heeft gekregen dan kan dit niet meer ongedaan worden gemaakt.

Componentplaatsing

Een componentplaatsing is een element dat verwijst naar een componentdefinitie. Een componentdefinitie bevat zelf één of meer elementen. De plaatsing bepaalt de positie en de manier waarop de elementen uit de definitie worden weergegeven. Een componentplaatsing wordt aangemaakt met het commando Plaatsen component.

Eigenschappen componentplaatsing

Elke plaatsing heeft een componentcode. Bij het afbeelden van de plaatsing wordt aan de hand van deze code de bijbehorende componentdefinitie gevonden. Als de definitie een ander type heeft is er sprake van een conflict. Dit kan optreden als gedurende het werken aan een project een componentdefinitie (per ongeluk) overschreven is met een definitie van een ander type. In dit geval wordt er bij bepaalde type combinaties niets afgebeeld, behalve markeringen op het PCS en de punten van de aanroep.

De informatie-eigenschappen die zijn vastgelegd in een componentdefinitie, worden automatisch overgenomen in iedere plaatsing van de component, behalve wanneer ze in de definitie niet gezet zijn. In dat geval worden de actuele maakparameters overgenomen. Automatisch overgenomen eigenschappen van een plaatsing kunnen wel gewijzigd worden.